Autonomie verwijst binnen het INR Model naar de ervaren mate van invloed op het eigen handelen. Het betreft niet onafhankelijkheid, maar de subjectieve ervaring dat gedrag voortkomt uit eigen keuze en niet uit externe druk.
Verdieping
Autonomie vormt één van de drie Inner Needs binnen het INR Model. Wanneer autonomie wordt ervaren, ontstaat eigenaarschap en betrokkenheid. Mensen handelen dan vanuit interne instemming in plaats van aanpassing.
Wanneer autonomie structureel onder druk staat, verschuift gedrag van initiatief naar bescherming. Dit kan zich uiten in terugtrekking, schijnbare instemming of controle. De afwezigheid van autonomie beïnvloedt de manier waarop situaties worden geïnterpreteerd en vormt daarmee de basis voor specifieke Narrative-vorming.
Autonomie gaat niet over volledige vrijheid, maar over ervaren keuze binnen gegeven kaders. Zelfs binnen duidelijke structuren kan autonomie aanwezig zijn, zolang de persoon het gevoel heeft invloed te hebben op hoe hij of zij handelt.
Relatie tot INR
Autonomie is één van de drie Inner Needs en beïnvloedt direct de vorming van Narrative. Wanneer autonomie wordt aangetast, verandert de betekenis die iemand toekent aan situaties, wat leidt tot een andere Reaction. Het begrip is daarmee fundamenteel binnen de gedragsarchitectuur van het INR Model.